Barbeel informatie

Wat is een barbeel en waar zijn ze te vinden

.

Wat is een Barbeel ?

De barbeel figureert opvallend vaak in 17e en 18e eeuwse visstillevens, een teken dat deze soort werd gewaardeerd als consumptievis. In 1765 schreef de taxonoom Marinus Houttuyn over de barbeel het volgende: “De Barbeel is blank doch week van Vleesch, en wordt niet gegeten dan oud zynde, als wanneer hy een goed Voedzel geeft. Men stooft of braadt hem, en maakt ‘er een Ragout of andere Geregten van, die door de bygevoegde Speceryën zeer smaakelyk zyn”. Hoewel de barbeel niet meer wordt gegeten, is het nog steeds een aansprekende vissoort die indicatief is voor natuurlijke, vrij optrekbare riviersystemen. In dit artikel gaan we dieper in op de biologie van Barbus barbus.

De barbeel behoort tot de familie van de karperachtigen, de Cyprinidae. Deze familie bevat ongeveer 210 geslachten en meer dan 2000 verschillende soorten. De systematiek van het geslacht Barbus, waartoe de barbeel behoort, is complex. Momenteel worden er in Europa 28 verschillende soorten onderscheiden. De barbeel is van al die soorten de meest wijd verbreidde én de enige in Nederland voorkomende soort. Eenvoudig herkenbaar Barbelen hebben een robuust en langgerekt lichaam dat aan de buikzijde is afgeplat. De kop is gestroomlijnd en de bek onderstandig, met één paar bekdraden aan de mondhoeken en één paar kortere op de bovenlip. De schubben zijn middelgroot: op de zijlijn liggen er 55 tot 65. De rugzijde is meestal licht bruingrijs, de buikzijde wit tot roze, de vinnen vaak iets roodachtig. Juveniele barbelen zijn in de regel wat lichter van kleur met onregelmatig verspreidde donkere vlekjes. Verwarring van adulte barbelen met andere vissoorten is vrijwel uitgesloten. Juveniele barbelen zouden door een ongetraind oog kunnen worden verward met bermpjes (Barbatula barbatulus), riviergrondels (Gobio gobio) of de uitheemse witvingrondel (Gobio albipinatus). Het bermpje verschilt van de barbeel door de aanwezigheid van zes bekdraden, terwijl de barbeel er vier heeft. De beide grondelsoorten hebben slechts twee bekdraden. Vrij snelle groeier De barbeel kan bij uitzondering tot wel één meter groot worden. Meestal bedraagt de maximale lengte echter 60 tot 80 centimeter. Net als de maximum lengte, is de groei afhankelijk van de leefomstandigheden en kan sterk verschillen per klimaatregio en stroomgebied. In Nederland is de groei vrij snel: in het vierde levensjaar wordt een lengte van 35 centimeter bereikt en na tien jaar is dit ongeveer 60 centimeter. Het maximale gewicht ligt meestal rond de vier tot vijf kilo, er zijn echter barbelen bekend met een gewicht van meer dan 12 kilo. De maximale leeftijd bedraagt ruim 20 jaar.

Voortplanting

Barbelen zijn stroomminnende vissoorten die vooral te vinden zijn in rivieren en beken met een bodem bestaande uit zand, grind en keien. De paai vindt plaats in het voorjaar op ondiepe, snelstromende grindbanken bij een watertemperatuur van 13,5 tot 18 graden. De mannetjes arriveren vaak eerder op de paaigronden. De barbeel paait in groepjes van één vrouwtje met meerdere mannetjes. Hierbij worden meer dan 150.000 kleverige, gelige eitjes afgezet. Afhankelijk van de watertemperatuur komen de eieren na één tot twee weken uit. De acht millimeter lange dooierzaklarven zijn lichtschuw en verbergen zich tussen de kiezelstenen voor een periode van ongeveer tien dagen. Hierna laten de vrijzwemmende larven zich afzakken naar ondiepe oeverzones met weinig tot geen stroming. Als de jonge barbeeltjes een lengte van 30 millimeter bereiken verplaatsen ze hun foerageergebied naar steeds sneller stromende delen van het water. Juvenielen van 60 millimeter wordt vrijwel uitsluitend aangetroffen op snelstromende grindbanken, met stroomsnelheden tot wel 1,2 meter per seconde. Volwassen barbelen houden zich vooral op in de diepere, minder snelstromende delen of in de luwte van obstakels, zoals stenen, takken, wortels, diepe kommen en soms ook vegetatie. Ze foerageren echter net als de juvenielen voornamelijk op of nabij grindbanken die in de volle stroom liggen. Barbelen zijn omnivore vissen met een voorkeur voor dierlijk voedsel. Vooral insectenlarven, wormen, kreeftachtigen, weekdieren en soms ook kleine vis of visbroed worden gegeten. Verder staan plantendelen en organisch afval op het menu. De jonge barbelen voeden zich in hun eerste levensjaar voornamelijk met zoöplankton en kleine bentische organismen.

De barbeel in opmars

Vroeger was de barbeel talrijk in de Limburgse Maas en algemeen voorkomend in de Rijn, de Waal en de IJssel. Tengevolge van de bouw van stuwen, kanalisatie en normalisatie van de rivieren is de barbeelstand na de Tweede Wereldoorlog sterk afgenomen. Tot het begin van de jaren negentig kwam de barbeel eigenlijk alleen nog voor in de Limburgse Grensmaas en in kleinere Limburgse riviertjes zoals de Roer en de Geul. Sinds die tijd is de barbeel met een opvallend sterke opmars bezig. In het Limburgse worden de laatste tien jaar in steeds meer beken en riviertjes barbelen aangetroffen, en in steeds grotere aantallen. Ook buiten Limburg komt de barbeel steeds vaker voor, in de grote rivieren als de Waal, de Lek en de IJssel, maar ook in kleinere riviertjes als de Kromme Rijn. Dat de barbeel zich in Nederland succesvol voortplant blijkt wel uit de veelvuldige vangstmeldingen van juveniele exemplaren. Dat het de goede kant op gaat met deze typische riviervis is ook positief nieuws voor het groeiend aantal sportvissers dat zich – met succes – toelegt op deze sterke vissoort.

Weetjes over de Barbeel :

De afgelopen jaren is gebleken dat de barbeel een seizoensvis is, als de watertemperatuur onder de 12 graden komt, dan is het zo goed als over en is de kans dat er nog een barbeel gevangen wordt heel erg klein. Met name in de grote rivieren zoals de Waal en IJssel. Opvallend is dat er op de Waal vanaf Maart tot Oktober goed barbeel te vangen is en de IJssel vanaf Mei tot November, er zit ongeveer 1 maand verschil in. Uitzonderingen bevestigen de regel, er zijn nu een aantal strengere en langere winters geweest waardoor de watertemperatuur langer onder de 10 graden bleef, maar toch waren er een paar vangsten gemeld in Februari op de Waal en IJssel. Vanaf de Grensmaas en in Belgie komen er regelmatig vangstmeldingen, maar dat zijn wateren die absoluut niet te vergelijken zijn met de grote rivieren. Door de kou wordt de vis statisch en beweegt geen vin meer, hij duikt de diepe gaten in en/of verschanst zich achter de zandduinen in de hoofdstroom van de rivier, tot op heden is nog niet exact bekend waar de barbeel overwinterd. 3 seizoenen heb ik het geprobeerd, maar kwam er net als een aantal anderen achter dat je met winterse temperaturen de grote rivieren beter kunt mijden en wachten tot de watertemperatuur weer boven de 12 graden uit komt. Wil je toch je geluk af gaan dwingen, dan zul je veel uren moeten maken en hopen dat er een barbeel op je aas duikt.

Tot slot

De verwachting is dat de barbeel in de komende jaren op steeds meer stromende wateren te vinden zal zijn en verder in aantal zal toenemen. De terugkeer van de barbeel staat symbool voor de verbeterde leefomstandigheden van de Nederlandse rivieren en beken. Voor de sportvisserij betekent het de terugkeer van een prachtige sportvis.